In de laatste sectie van zijn terugblik schrijft Pedro Santa-Clara op wat hij na een
loopbaan in het vak zeker meent te weten Santa-Clara (2026). Het zijn elf stellingen, en
ze zijn opvallend bescheiden. Er staat geen model in, geen SDF en geen evenwicht; er staan
feiten in, van het soort dat een belegger kan gebruiken. Dat is zelf een uitkomst van de
geschiedenis die deze reeks heeft verteld (motief 3): het vak begon met één theorie die
getoetst werd, het CAPM, en eindigt met een lijst feiten waarvoor meerdere theorieën
concurreren. Wat overeind bleef, is wat meetbaar was.
Deze lecture loopt de elf stellingen langs. Per stelling geven we (a) de stelling in één zin,
in Santa-Clara’s eigen openingszin; (b) waarom ze waar is, met een verwijzing naar de lecture
waar het mechanisme werd afgeleid; (c) één compacte demonstratie op de gecachte data van deze
reeks; (d) hoe zeker we zijn, met de standaardfout of de steekproefonzekerheid erbij; en (e)
de praktijkles. Die les is steeds een variant op de zin die door de hele reeks liep:
“Everything I made that lasted came from bearing risk that was priced. Everything I lost came
from thinking I knew something the price did not.”
Hoe zeker een stelling is, volgt het 2%-motief uit Rendementen en hun statistiek. Uitspraken over tweede
momenten en identiteiten zijn vrijwel zeker, uitspraken over eerste momenten kloppen in teken maar
niet in omvang, en uitspraken over zeldzame toestanden rusten op een handvol episodes. De
samenvattende tabel aan het eind maakt dat onderscheid per stelling.
import numpy as np
import pandas as pd
import matplotlib.pyplot as plt
import statsmodels.api as sm
from scipy import stats
import hap
from hap import data as hap_data
hap.plotting.setup()
rng = np.random.default_rng(20260913)
Er is één gedachte die bijna alle elf stellingen draagt: een prijs is een samenvatting van
wat veel mensen met geld op het spel denken, en wie die samenvatting wil verslaan, moet iets
weten of iets dragen wat die mensen niet willen dragen. Iets weten is moeilijk en wordt met de
tijd moeilijker (stellingen 3 en 11). Iets dragen wordt beloond, maar alleen als het risico niet
gratis weg te geven is: risico dat weg te diversifiëren valt, levert niets op (stelling 1), en
risico dat in de slechtste toestanden toeslaat, levert juist veel op (stellingen 4, 6, 8 en 9).
Wat een belegger wel zeker weet, is wat hij betaalt (stelling 2).
De tweede gedachte is statistisch. Een gemiddeld rendement meten kost kalendertijd, een
variantie meten kost waarnemingen. Met dagdata heeft een eeuw 25 000 waarnemingen voor de
variantie maar nog steeds maar honderd jaar voor het gemiddelde. Daarom is volatiliteit
voorspelbaar en het rendement nauwelijks (stelling 5), en daarom is elke premie die we noemen
een getal met een standaardfout van één à twee procentpunt per jaar.
De derde gedachte gaat over crises. Arbitrage en hedging werken zolang de markt doorlopend handelt
en financiering beschikbaar is (stelling 7). In een crisis houdt beide op, en dan worden
hefboomposities gedwongen gesloten tegen de slechtste prijs (stellingen 9 en 10). Het bewijs
daarvoor is een mechanisme en een paar episodes, geen t-waarde.
Een belegger zet €100 000 opzij voor dertig jaar. Het verwachte (rekenkundige) rendement van
aandelen is 7% per jaar, voor elk aandeel en elke portefeuille gelijk, want idiosyncratisch
risico wordt niet beloond. De marktportefeuille heeft een volatiliteit van 20%. Een los aandeel
heeft een volatiliteit van 40% en een correlatie van 0,25 met elk ander aandeel, dus een
covariantie van 0,25×0,402=0,04, gelijk aan de marktvariantie.
Met Markowitz, Roy en Tobin is de variantie van een gelijkgewogen portefeuille van N aandelen
vˉ/N+(1−1/N)cˉ. Voor drie aandelen: 0,16/3+32×0,04=0,0533+0,0267=0,08, een volatiliteit van 28,3%.
Bij lognormale rendementen groeit de mediane belegger met g=μ−c−σ2/2, met c
de jaarlijkse kosten. We vergelijken vier beleggers:
Belegger
μ
c
σ2
g=μ−c−σ2/2
mediaan na 30 jaar
gespreid, goedkoop
0,07
0,001
0,04
0,049
100000e1,47=434930
gespreid, duur
0,07
0,020
0,04
0,030
100000e0,90=245960
drie aandelen, goedkoop
0,07
0,001
0,08
0,029
100000e0,87=238690
drie aandelen, duur
0,07
0,020
0,08
0,010
100000e0,30=134990
(Met de hand: e1,5=4,4817 en e−0,03=0,97045, dus e1,47=4,3493;
e0,9=2,4596 en e0,87=2,4596×0,97045=2,3869; e0,3=1,3499.)
Alle vier hebben hetzelfde verwachte eindvermogen voor kosten. De mediane belegger in de
laatste rij eindigt met minder dan een derde van de eerste. Van het verschil in groeivoet, 3,9
procentpunt, komt de helft uit kosten (1,9) en de helft uit het ongediversifieerde risico (2,0):
de variantie die niets oplevert, kost via σ2/2 evenveel als een dure adviseur.
4.1Waarom het ene feit zekerder is dan het andere¶
Waarom zou dit waar zijn? Een verschil in kosten of in ongediversifieerde variantie is een
verschil in de drift van het logvermogen dat elk jaar opnieuw wordt afgedragen, zeker en
lineair in de tijd. Het geluk dat dat verschil kan maskeren, groeit maar met de wortel van de
tijd. Na genoeg jaren wint de drift altijd; de vraag is alleen hoeveel jaren “genoeg” is.
Met de getallen van het toy-voorbeeld is Δ=0,019+21×0,04=0,039 en
σε=0,20. Na dertig jaar is ΔT/σε=0,039×5,477/0,20=1,068 en Φ(−1,068)=0,143. Eén op de zeven geconcentreerde,
dure beleggers verslaat de goedkope indexbelegger over een heel beleggersleven. Dat is geen
bewijs van vaardigheid; het is precies wat het model zonder vaardigheid voorspelt, en het is
genoeg om een industrie en een hoop anekdotes in stand te houden.
4.2Zekerheid als functie van wat er gemeten wordt¶
De propositie is een speciaal geval van de regel die Rendementen en hun statistiek opstelde. Een premie
μ met volatiliteit σ is na T jaar gemeten met t=(μ/σ)T, dus
met SR=μ/σ de jaarlijkse Sharpe-ratio en t∗ de gewenste drempel. Voor
de markt (SR≈0,4) en t∗=2 is dat 25 jaar; voor de drempel 3 van
Harvey et al. (2016) 56 jaar. Een factor met Sharpe-ratio 0,3 vraagt honderd jaar. Een
variantie is daarentegen na T waarnemingen gemeten met een relatieve standaardfout
2/T, onafhankelijk van de kalenderlengte zodra de frequentie hoog genoeg is
Merton (1980). We gebruiken dat onderscheid in de samenvattende tabel:
hoog: een identiteit, een tweede moment, of een eerste moment met t>3 dat in
onafhankelijke steekproeven (andere periodes, andere markten) terugkomt;
middel: een eerste moment met het juiste teken maar een omvang die binnen twee
standaardfouten sterk varieert, of een uitspraak die op een handvol episodes rust.
5Simulatie: dertig jaar, twee beleggers, onbekende premie¶
We simuleren de propositie met een onzekerheid erbij die in het toy-voorbeeld ontbrak: niemand
kent de equity premium. Per pad trekken we de ware premie uit N(6%,2%), de standaardfout
van een eeuw Amerikaanse data (stellingen 1, 2, 4 en 11 in één experiment). Belegger A houdt de
markt tegen 0,1% kosten per jaar. Belegger B houdt drie aandelen, handelt veel en betaalt 2% per
jaar aan kosten. Rente 2%, marktvolatiliteit 20%, idiosyncratische volatiliteit 20%, 30 jaar,
20 000 paden.
fig, ax = plt.subplots()
bins = np.linspace(4, 7, 70)
ax.hist(np.log10(wealth_a), bins=bins, alpha=0.6, label="A: markt, 0,1% kosten")
ax.hist(np.log10(wealth_b), bins=bins, alpha=0.6, label="B: drie aandelen, 2% kosten")
ax.axvline(np.log10(bill), color="black", lw=1, ls="--", label="T-bill")
ax.set_xticks([4, 5, 6, 7], ["€10k", "€100k", "€1m", "€10m"])
ax.set_xlabel("Vermogen na 30 jaar (log-schaal)")
ax.set_ylabel("Aantal paden")
ax.set_title("Dertig jaar beleggen met een onbekende equity premium")
ax.legend()
plt.show()
Figure 1:De verdeling van B ligt naar links en is breder: kosten schuiven haar op, idiosyncratisch risico
maakt haar breder én schuift de mediaan verder op. De onzekerheid over de premie verbreedt beide
verdelingen, maar verandert de afstand ertussen niet.
De simulatie bevestigt de propositie: in 13,7% van de paden eindigt B boven A, tegen 14,3% volgens
(1). Het verschil is 2,4 simulatiestandaardfouten. Dat is aan de grote kant,
maar de propositie is onder de aannames van de simulatie exact, dus we schrijven het toe aan
steekproefruis en laten de seed staan. De mediane A eindigt met ongeveer €588 000, de mediane B met
€179 000. Die verhouding van 3,3 ligt dicht bij de e0,039×30=3,2 van het
toy-voorbeeld: de onzekere premie verschuift beide beleggers evenveel.
Wat de simulatie toevoegt, is de spreiding. Het 5e percentiel van A ligt bij €72 000: ook de goedkope,
gespreide belegger heeft in één op de twintig paden na dertig jaar minder dan hij inlegde, deels door
pech in de markt en deels omdat de ware premie in dat pad laag was. De kans dat A achterblijft bij een
belegging in T-bills is 18%; voor B is die 50%. De geconcentreerde, dure belegger heeft na dertig jaar
dus een munt opgegooid tegen de spaarrekening, terwijl hij het volle risico van aandelen droeg. En één op
de zeven B’s kan achteraf met recht zeggen dat hij de indexbelegger versloeg.
Stelling.“Diversification is the only free lunch, and it is a large one.”
Waarom. De variantie van een gelijkgewogen portefeuille is vˉ/N+(1−1/N)cˉ
(Markowitz, Roy en Tobin): de eigen varianties verdwijnen, de covarianties niet. Wat verdwijnt kan
niemand beloond krijgen, want iedereen kan het gratis kwijt. Het CAPM (Het CAPM) en de APT
(Ross, APT en de fundamentele stelling) maken daar een prijsvoorspelling van: alleen blootstelling aan
gemeenschappelijke factoren heeft een premie. Markowitz (1952) gaf de eerste helft,
Sharpe (1964) de tweede.
ind = hap_data.french("49_Industry_Portfolios").loc["1970":"2025"].dropna(axis=1)
ind_ex = ind.sub(rf_m, axis=0).dropna()
cov = ind_ex.cov().to_numpy()
n_ind = cov.shape[0]
v_ind = np.diag(cov).mean()
c_ind = (cov.sum() - np.trace(cov)) / (n_ind * (n_ind - 1))
curve = pd.DataFrame({"N": [1, 3, 10, 30, n_ind]})
curve["volatiliteit formule (%/jr)"] = 100 * np.sqrt(12 * (v_ind / curve["N"] + (1 - 1 / curve["N"]) * c_ind))
def mean_vol(n, draws):
"""Average annualised volatility of equal-weighted portfolios of n randomly drawn industries."""
subsets = [rng.choice(n_ind, n, replace=False) for _ in range(draws)]
return 100 * np.sqrt(12) * np.mean([np.sqrt(cov[np.ix_(s, s)].mean()) for s in subsets])
curve["volatiliteit 2000 trekkingen (%/jr)"] = [mean_vol(n, 2000 if n < n_ind else 1) for n in curve["N"]]
mkt = ind_ex.join(ff3["Mkt-RF"]).dropna()["Mkt-RF"]
X = sm.add_constant(mkt)
fits = {c: sm.OLS(ind_ex[c], X).fit() for c in ind_ex}
chars = {"bèta": pd.DataFrame({c: [f.params["Mkt-RF"]] for c, f in fits.items()}),
"idio. vol": pd.DataFrame({c: [f.resid.std()] for c, f in fits.items()})}
fm = hap.stats.fama_macbeth(ind_ex, chars, lags=0)
print("Fama-MacBeth, 49 industrieën 1970-2025 (helling per maand):")
print(fm[["estimate", "se", "tstat"]].round(4).to_string())
curve.set_index("N").round(2)
Hoe zeker. De bodem van de diversificatie ligt hier hoog, omdat een industrieportefeuille zelf al
honderden aandelen bevat. De gemiddelde industrie heeft 23,7% volatiliteit per jaar, de gelijkgewogen
portefeuille van alle 49 heeft 17,2%. Formule en trekkingen komen tot op een paar tienden overeen, en de
eerste drie industrieën halen al het grootste deel van de reductie. Voor losse aandelen, met een
volatiliteit van 40 à 50%, levert dezelfde bodem veel meer op (Markowitz, Roy en Tobin). Dit deel van de
stelling is een identiteit over tweede momenten, en daarmee zo zeker als iets in dit vak.
Het tweede deel, dat idiosyncratisch risico niet beloond wordt, is een uitspraak over een eerste moment en
dus zwakker. De Fama-MacBeth-helling op residuele volatiliteit is 0,015 per eenheid maandvolatiliteit, met
t=0,45. We verwerpen dus niet dat de beloning nul is, maar een behoorlijke positieve beloning valt
ook binnen twee standaardfouten. De helling op bèta is evenmin significant (t=0,03). Dat is de
vlakke security market line van Het CAPM, geen weerlegging van diversificatie. Over het teken is de
literatuur het ook niet eens: Ang et al. (2006) vonden dat aandelen met hoge
idiosyncratische volatiliteit juist lage gemiddelde rendementen hebben. De bèta’s en residuele
volatiliteiten zijn over de hele steekproef geschat, dus met look-ahead; voor een uitspraak over het
ontbreken van een beloning is dat een milde vertekening. Zekerheid: hoog.
Praktijkles. Diversificatie is de enige plek waar een belegger iets krijgt zonder er iets voor
op te geven. Wie tien aandelen houdt omdat hij ze goed kent, betaalt daar elk jaar σ2/2
voor (toy-voorbeeld), zonder dat iemand hem daarvoor een premie hoeft te betalen.
Stelling.“Costs and taxes are the most reliable predictor of net returns.”
Waarom. De rekenkunde van Sharpe (1991) (De industrie als financier: indexfondsen, DFA, AQR): vóór kosten is het
gemiddelde actieve rendement gelijk aan het passieve, dus na kosten ligt de gemiddelde actieve euro
achter met precies de kosten. French (2008) telde die kosten voor de Amerikaanse beurs op:
“Averaging over 1980–2006, I find investors spend 0.67% of the aggregate value of the market each
year searching for superior returns.” Kosten zijn vooraf bekend; alpha is achteraf nauwelijks te
meten (Fama en de efficiënte markt, Proposition 1). Belegging in een
indexfonds stelt bovendien de belasting op gerealiseerde winsten uit, een effect dat we met gratis
data niet kunnen meten.
Hoe zeker. Geen van de zeven fondsen heeft een verschil met het indexfonds dat van nul te
onderscheiden is. De t-waarden liggen tussen −1,57 en 1,23, de standaardfouten na 45 jaar
tussen 1,0 en 1,6 procentpunt per jaar. Met een tracking error van 7 à 11% per jaar is dat precies wat
(2) voorspelt: om een voorsprong van één procentpunt met t=2 te zien, heeft
een fonds met 7,5% tracking error (2×7,5/1)2=225 jaar nodig. Het gemiddelde van de zeven
verschillen is licht positief (0,47 procentpunt), maar dat is geen bewijs van vaardigheid. Dit zijn
fondsen die we kennen omdat ze na 45 jaar nog bestaan en groot zijn, en de survivorship bias uit
De CRSP-tape: data als machine werkt in hun voordeel. Of een fonds zijn kosten terugverdient, is na een halve eeuw
nog niet te zeggen; de kosten zelf waren op de eerste dag bekend. Zekerheid: hoog.
Praktijkles. Van alles wat een belegger over de toekomst van zijn portefeuille kan zeggen, is
de kostenpost het enige getal met een standaardfout van nul. Wie een actief fonds kiest, ruilt een
zekere achterstand in tegen een onzekere voorsprong die hij, met de standaardfouten hierboven, pas
na tientallen jaren zou kunnen herkennen.
Waarom. Concurrentie om informatie (Fama en de efficiënte markt): elke voorspelbare beweging
na publiek nieuws is een winstkans, en winstkansen worden weggehandeld tot de kosten van het
handelen ze niet meer waard maken Fama (1970). De event study van
Fama et al. (1969) (De event study) liet zien dat de koers vóór en op de
dag van een aankondiging beweegt en daarna niet meer. Met intradagdata, die we niet gratis hebben,
is die aanpassing voor aankondigingen van winsten en macrocijfers een kwestie van minuten tot uren;
met dagdata kunnen we alleen laten zien dat er na één dag weinig voorspelbaars overblijft.
Hoe zeker. In elk decennium vóór 1990 is de autocorrelatie positief en significant, met een piek
van 0,29 in de jaren zeventig (t=14,5). In de jaren 2000 en 2010 is ze klein en negatief (−0,06
en −0,04). Bij een standaardfout van 0,02 zijn die verschillen scherp. Een deel van de vroege
autocorrelatie is geen trage informatieverwerking maar een meetartefact: kleine aandelen in de index
handelden niet elke dag, waardoor hun slotkoers achterliep (Fama en de efficiënte markt). De jaren 2020
hebben een autocorrelatie van −0,15, maar LLM’s, advies en efficiëntie liet zien dat die vrijwel
geheel uit het coronajaar 2020 komt. Dat de dag-autocorrelatie verdween, is sterk bewijs dat er na één
dag weinig voorspelbaars overblijft. De claim van uren rust op intradag-event studies die we met gratis
data niet kunnen herhalen. Zekerheid: hoog voor de richting en de orde van grootte (een dag of minder),
middel voor de precieze snelheid.
Praktijkles. Een nieuwsbericht dat u leest, is geen informatie die de prijs niet heeft. Het is
de mildste vorm van “thinking I knew something the price did not”: niet een vergissing over de
waarde, maar over de volgorde waarin anderen het nieuws al hebben verwerkt.
Stelling.“There is an equity premium, and it is large, and it is not constant.”
Waarom. Aandelen betalen slecht uit in toestanden waarin een euro veel waard is, en daarvoor
eisen beleggers een vergoeding. Dat de vergoeding groot is, is een feit dat geen standaardmodel
reproduceert (Mehra & Prescott (1985), Mehra-Prescott en Hansen-Jagannathan); dat ze varieert, volgt
uit de Campbell-Shiller-identiteit en de voorspelbaarheid op lange horizon
(Voorspelbaarheid van rendementen); de drie grote verklaringen staan in Habit, long-run risk en rampen.
Mehra en Prescott rapporteerden voor 1889–1978 een premie van 6,18% (SE 1,76), in hun tabel 1.
1926-2025: rekenkundige premie 8.82% (SE 1.99), meetkundig 6.76%
20-jaarsgemiddelde (meetkundig): laagste 0.51% (tot 1981), hoogste 15.15% (tot 1961)
langste periode onder de vorige piek: 15 jaar; diepste drawdown -70.4% (1932)
Source
fig, ax = plt.subplots(figsize=(9, 4))
ax.plot(rolling20.index, 100 * rolling20, lw=1.8)
ax.axhline(100 * np.expm1(log_ep.dropna().mean()), color="black", lw=0.8, ls="--", label="volledige steekproef")
ax.axhline(0, color="grey", lw=0.8)
ax.set_xlabel("Laatste jaar van het venster")
ax.set_ylabel("Meetkundige premie (% per jaar)")
ax.set_title("De equity premium over voortschrijdende vensters van 20 jaar")
ax.legend()
plt.show()
Figure 2:Een premie die over de hele eeuw ruim zit, ligt over twintig jaar soms dicht bij nul en soms boven
de tien procent. Wie een beleggershorizon van twintig jaar heeft, leeft in één punt van deze lijn.
Hoe zeker. De rekenkundige premie over 1926–2025 is 8,8% per jaar met een standaardfout van 2,0
procentpunt. De meetkundige premie, wat een belegger werkelijk samengesteld boven T-bills verdiende, is
6,8%. Een 95%-interval voor het rekenkundige gemiddelde loopt van ongeveer 4,9 tot 12,7%. Dat de premie
positief is, staat dus vast (t=4,4); hoe groot ze is, weten we maar op een paar procentpunt
nauwkeurig. Santa-Clara’s 5 à 7% ligt binnen dat interval. De tijdvariatie is groot: over de twintig jaar
tot 1981 was de meetkundige premie 0,5% per jaar, over de twintig jaar tot 1961 15,2%. De drawdowns zijn
lang: de langste periode waarin de cumulatieve voorsprong op T-bills onder haar vorige piek lag, duurde 15
jaar, en het diepste punt was −70% in 1932. Of die variatie een variërende discontovoet is of variërend
sentiment, is motief 2 (Fama, Shiller en “Discount Rates”); dát ze bestaat, staat vast. In Exercise 2
blijkt de premie over 1872–1926 een stuk kleiner. Zekerheid: hoog voor het bestaan en het teken, middel
voor de omvang.
Praktijkles. De premie is de beloning voor het dragen van risico dat beprijsd is, het
schoolvoorbeeld van “risk that was priced”. Maar het risico is echt: de beloning komt pas over
decennia, en wie tussentijds moet verkopen, krijgt haar niet.
6.55. Volatiliteit is voorspelbaar, rendementen nauwelijks¶
Stelling.“Volatility is forecastable; returns barely are.”
Hoe zeker. De log gerealiseerde variantie van de volgende maand heeft een R2 van 0,53 op die
van deze maand, met een helling van 0,73 en een standaardfout van 0,03. Het rendement van de volgende
maand heeft een R2 van 0,002 op de dividend-prijsratio en 0,009 op het eigen rendement van deze maand,
beide met t<2. Het verschil is twee ordes van grootte, en een betere methode verandert dat niet.
ARCH, GARCH, realized volatility en de VIX liet zien dat GARCH-voorspellingen met parameters uit 1969 buiten de steekproef
41 tot 48% van de logvariantie verklaren. Voorspelbaarheid van rendementen liet zien dat de
dividend-prijsratio buiten de steekproef een R2 van ongeveer −4% heeft. Een kleine voorspelbaarheid
van rendementen op lange horizon is daarmee niet uitgesloten; ze is alleen niet bruikbaar. Zekerheid:
hoog.
Praktijkles. Wie risico wil sturen, heeft een betrouwbaar instrument: schaal de positie terug
als de volatiliteit hoog is, zoals Barroso en Santa-Clara met momentum deden (Jegadeesh-Titman, Carhart en momentum crashes).
Wie uit dezelfde data de richting van de markt denkt te halen, meent iets te weten wat de prijs
niet weet.
6.66. Robuuste premies: value, momentum, carry en low-volatility¶
Stelling.“A few risk premia are robust across markets, time and asset classes.”
Hoe zeker. Drie van de vier premies staan zoals verwacht: HML 4,3% per jaar sinds 1926
(t=3,5), momentum 7,4% sinds 1927 (t=4,6) en valuta-carry 3,7% sinds 1979 (t=3,0). De
vierde niet. Het verschil tussen het laagste en het hoogste bèta-quintiel heeft een CAPM-alpha van 2,8%
per jaar met t=1,35, onder de verwachte drempel van 2. Dat is een echte afwijking, geen fout in het
teken: de alpha is positief en de ruwe Sharpe-ratio negatief (−0,16), zoals het hoort voor een
portefeuille die short gaat in de aandelen met de hoogste bèta. Een deel van het verschil met
Frazzini & Pedersen (2014) zit in de constructie. Zij brengen beide benen met hefboom naar een bèta
van één, zodat de portefeuille marktneutraal is, en gebruiken naast Amerikaanse aandelen ook
internationale markten en andere activaklassen. Wij vergelijken twee value-weighted quintielen zonder
hefboom over 63 jaar. Het CAPM vond voor alleen het laagste bèta-deciel een alpha van 0,21% per
maand met t=2,53. Low-beta is in onze data dus de zwakste van de vier.
De verwachte verzwakking van HML is er ook: t=2,89 in de eerste helft en 1,92 in de tweede. Voor
carry daalt de t-waarde van 2,58 naar 1,58; alleen momentum is in beide helften even sterk. Bij
Sharpe-ratio’s van 0,35 à 0,46 vraagt t=3 volgens (2) 40 à 75 jaar data, meer
dan een halve steekproef biedt. Zekerheid: hoog voor value en momentum over
lange steekproeven en meerdere markten; middel voor carry, voor low-beta en voor de omvang van elke premie
na publicatie.
Praktijkles. Dit zijn de premies waarmee DFA en AQR hun bedrijven bouwden (De industrie als financier: indexfondsen, DFA, AQR).
Santa-Clara’s zin geeft de toets: als het beprijsd risico is, komt het terug in slechte tijden
(momentumcrashes, carry in 2008) en blijft de premie; als het een vergissing was, verdwijnt hij zodra
genoeg mensen hem kennen (McLean & Pontiff (2016), De factor zoo).
Stelling.“No-arbitrage pricing works when the hedge works.”
Waarom. Een optie heeft een prijs zonder nutsfunctie omdat haar payoff met aandelen en een lening
na te bootsen is (Black & Scholes (1973), Black-Scholes-Merton en de CBOE); geen arbitrage is
gelijkwaardig aan het bestaan van een positieve SDF (Harrison & Kreps (1979),
Ross, APT en de fundamentele stelling). Maar de nabootsing veronderstelt doorlopende handel en een bekende
volatiliteit. Bij een koerssprong of een volatiliteitsschok werkt de hedge niet, en dan is de prijs
geen arbitrageprijs meer maar een verzekeringspremie (Opties en crashrisico). We verkopen elke
maand sinds 1927 een één-maands at-the-money call op de index, geprijsd met Black-Scholes bij de
gerealiseerde volatiliteit van de voorgaande 21 handelsdagen, en hedgen dagelijks met de delta.
# ponytail: zero interest rate and no transaction costs; both are second order at a one-month horizon.
index_level = (1 + daily["Mkt"].dropna()).cumprod()
log_r = np.log(index_level).diff()
month_id = index_level.index.to_period("M")
def bs_call(S, K, tau, sigma):
d1 = (np.log(S / K) + 0.5 * sigma**2 * tau) / (sigma * np.sqrt(tau))
return S * stats.norm.cdf(d1) - K * stats.norm.cdf(d1 - sigma * np.sqrt(tau)), stats.norm.cdf(d1)
results = {}
positions = np.flatnonzero(np.r_[True, month_id[1:] != month_id[:-1]])
for first, nxt in zip(positions[1:-1], positions[2:]):
sigma = log_r.iloc[first - 21:first].std() * np.sqrt(252)
S = index_level.iloc[first - 1:nxt].to_numpy() # last close of previous month, then the month
n, K = len(S) - 1, S[0]
tau = (n - np.arange(n)) / 252
premium, _ = bs_call(S[0], K, tau[0], sigma)
_, delta = bs_call(S[:-1], K, tau, sigma)
unhedged = premium - max(S[-1] - K, 0.0)
results[month_id[first].to_timestamp(how="end").normalize()] = {
"ongehedged": 100 * unhedged / K, "gehedged": 100 * (unhedged + delta @ np.diff(S)) / K}
hedge = pd.DataFrame(results)
hedge = hedge.T
print("slechtste gehedgede maanden:", ", ".join(f"{d:%Y-%m} ({v:.1f}%)" for d, v in hedge["gehedged"].nsmallest(5).items()))
pd.DataFrame({"std. afwijking (% van index)": hedge.std(), "1e percentiel": hedge.quantile(0.01),
"slechtste maand": hedge.min(), "kurtosis": hedge.kurt()}).round(2)
Hoe zeker. Dagelijks hedgen brengt de standaardafwijking van het resultaat terug van 3,3% naar
0,8% van de index per maand, een variantiereductie van ongeveer 94%. De staart krimpt niet in dezelfde
verhouding: de kurtosis van het gehedgede resultaat is 33, tegen 18 ongehedged, en de slechtste gehedgede
maand kost 4,7% van de index, bijna zes standaardafwijkingen. Die maand is maart 2020, gevolgd door juni
1950 (het begin van de Koreaanse oorlog), maart 1933, oktober 1989 en september 1955. Het zijn niet de
maanden waarin de markt het meest daalde. Het zijn maanden waarin de volatiliteit plotseling veel hoger
was dan in de maand ervoor: de hedge rekende met de verkeerde σ, en de verkoper betaalde het verschil
via de gamma (Proposition 2). Oktober 1987 staat er niet bij, omdat de index op
de dag van de crash al ruim onder de uitoefenprijs van de begin oktober verkochte call stond, waar de gamma
klein is. In 99% van de maanden kost de gehedgede positie minder dan 2,3% van de index; in de rest is de
optieprijs geen arbitrageprijs maar een verzekeringspremie. Zekerheid: hoog voor het mechanisme, middel voor de omvang van
het staartrisico.
Praktijkles. Wie opties verkoopt en hedget, verdient in rustige maanden een kleine, zekere
vergoeding en draagt het risico van de maand waarin de hedge niet werkt. Dat is een beprijsd risico
zolang de positie die maand overleeft; wie denkt dat de hedge het risico heeft weggenomen, weet iets
wat niet waar is.
Stelling.“The expectations hypothesis of the term structure is false and the deviation is
exploitable.”
Waarom. Onder de expectations hypothesis voorspelt de forward spread toekomstige renteveranderingen
en niets anders; het extra rendement van een lange obligatie is dan onvoorspelbaar. De
Fama-Bliss-regressie Fama & Bliss (1987) vindt het omgekeerde: de spread voorspelt het extra
rendement met een helling rond één, en de tentvormige factor van Cochrane & Piazzesi (2005)
voorspelt nog beter (Fama-Bliss, Cochrane-Piazzesi en het string-model, met de affiene modellen uit
Brennan-Schwartz, Vasicek, CIR en Longstaff-Schwartz als achtergrond). Cochrane en Piazzesi rapporteren voor
1964–2003 hellingen van 0,99; 1,35; 1,61 en 1,27 in hun tabel 2.
gsw_month = hap_data.gsw().resample("ME").last()
yields = pd.DataFrame({n: gsw_month[f"SVENY{n:02d}"] for n in range(1, 6)})
log_price = -yields * yields.columns
forward = pd.DataFrame({n: log_price[n - 1] - log_price[n] for n in range(2, 6)})
excess_bond = pd.DataFrame({n: log_price[n - 1].shift(-12) - log_price[n] - yields[1] for n in range(2, 6)})
rows = {}
for n in range(2, 6):
data = pd.concat([excess_bond[n].rename("y"), (forward[n] - yields[1]).rename("spread")], axis=1)
data = data.loc["1964-01":"2025-08"].dropna()
fit = sm.OLS(data["y"], sm.add_constant(data["spread"])).fit(
cov_type="HAC", cov_kwds={"maxlags": 12, "kernel": "uniform"})
b, se = fit.params["spread"], fit.bse["spread"]
rows[n] = {"helling": b, "SE (HH)": se, "t (EH: helling = 0)": b / se, "t (helling = 1)": (b - 1) / se,
"R2": fit.rsquared}
pd.DataFrame(rows).T.rename_axis("looptijd n").round(2)
Loading...
Hoe zeker. Alle vier hellingen zijn positief en liggen dichter bij één dan bij nul: 0,72; 0,88;
1,04 en 1,20 over 1964–2025. De expectations hypothesis (helling nul) wordt voor elke looptijd verworpen,
met t-waarden tussen 2,6 en 2,9; de hypothese dat de helling één is, dat de hele forward spread
risicopremie is, voor geen enkele. De verwerping is niet overweldigend. Met Hansen-Hodrick-standaardfouten
van 0,3 à 0,4 loopt het 95%-interval van ongeveer 0,2 tot 1,3 voor n=2 en van 0,4 tot 2,0 voor
n=5. Fama-Bliss, Cochrane-Piazzesi en het string-model liet bovendien met simulatie zien dat deze t-toets met
overlappende jaarrendementen te vaak verwerpt. Voor de periode van Cochrane en Piazzesi vond die lecture
0,97; 1,20; 1,40 en 1,59, tegen hun gepubliceerde 0,99; 1,35; 1,61 en 1,27. Het teken staat in elke
steekproef, de omvang niet, en een R2 van 8 à 10% zegt dat de voorspelbare premie klein is naast het
renterisico. Zekerheid: hoog voor het falen van de EH, middel voor de omvang van de premie en voor de claim
dat ze na kosten te exploiteren is.
Praktijkles. De obligatiepremie is groter wanneer de curve steil is, en dat is precies wanneer
lange obligaties het meest riskant aanvoelen. Wie dan koopt, draagt beprijsd renterisico. Wie denkt
dat hij de rente zelf kan voorspellen, concurreert met de forward rate, en die verliest het van bijna
niemand.
6.99. Liquiditeit is geprijsd en verdwijnt wanneer ze nodig is¶
Stelling.“Liquidity is priced, and it disappears when you need it.”
Hoe zeker. De verhandelbare liquiditeitsfactor heeft over 1968–2025 een vierfactor-alpha van 3,6%
per jaar (t=2,06), net boven de drempel. Tot 2003, het jaar van publicatie, is dat 5,4%
(t=2,72); sinds 2004 is het −0,8% met een standaardfout van 3,0 procentpunt. Die laatste
standaardfout sluit nul niet uit, maar een premie van 5% evenmin (motief 1). De vijf maanden met de laagste
marktliquiditeit zijn oktober 1987, november 1973, december 2008, oktober 2002 en september 1998, allemaal
maanden van bekende marktstress. Het tweede deel van de stelling, dat liquiditeit verdwijnt wanneer ze
nodig is, is dus goed gedocumenteerd. Het eerste deel, dat liquiditeit een premie heeft, rust hier op één
verhandelbare factor waarvan de premie na publicatie niet meer zichtbaar is, en op de cross-sectie van
Amihud, die we niet herhalen. Of de premie door arbitrage is verdwenen of er nog is maar niet te meten valt,
laten 22 jaar data niet zien. Zekerheid: hoog voor het verdwijnen in crises, middel voor de premie.
Praktijkles. In de woorden die Kyle, Glosten-Milgrom en liquiditeit al citeerde: wie illiquide activa houdt,
“should not assume he can sell them at the price in the last valuation report”Santa-Clara (2026). De premie is een vergoeding voor het leveren van liquiditeit op het moment
dat niemand anders dat wil.
Stelling.“Leverage plus mark-to-market plus a deadline is the recipe for ruin.”
Waarom. Een positie met positieve verwachte opbrengst kan toch ruïneus zijn als de financier
tussentijds onderpand eist: het verlies wordt dan gerealiseerd op het slechtste moment, en het herstel
komt voor iemand anders (VaR, RiskMetrics en LTCM, Shleifer & Vishny (1997)). De momentumcrashes
van Jegadeesh-Titman, Carhart en momentum crashes en de dealers van 2008 in 2008 en intermediary asset pricing zijn hetzelfde mechanisme.
We kopen de Amerikaanse markt met hefboom L en lenen tegen de T-billrente, voor tien jaar, met een
start in elke maand vanaf 1927. De financier sluit de positie zodra het eigen vermogen onder 25% van
de positie zakt; daarna staat het resterende vermogen in T-bills. Zonder deadline houdt de belegger
vol tot het eind (een negatief eindvermogen telt als nul).
Hoe zeker. Zonder hefboom krijgt geen enkel tienjaarsvenster een margin call, en het gemiddelde
eindvermogen is 2,86 keer de inleg. Met hefboom 2 wordt 29% van de vensters gedwongen gesloten, met hefboom
3 58%. Het gemiddelde eindvermogen zonder deadline stijgt met de hefboom, van 2,86 naar 5,74: wie had
kunnen volhouden, werd over deze eeuw met hefboom gemiddeld rijker, want de premie is positief. Met
deadline is het gemiddelde bij hefboom 3 (3,86) niet hoger dan bij hefboom 2 (3,88). De mediane belegger met
hefboom 3 eindigt op 1,37 keer zijn inleg, minder dan de helft van de mediaan zonder hefboom (2,81).
Hetzelfde verwachte rendement, dezelfde markt, dezelfde tien jaar; het enige verschil is dat een financier
het recht had de positie op het laagste punt te sluiten. De 1081 overlappende vensters bevatten maar een
handvol onafhankelijke crashes (1929–1932, 1937, 1973–1974, 1987, 2000–2002, 2008 en 2020); de percentages
hangen daaraan, het mechanisme niet. Zekerheid: hoog voor het mechanisme, middel voor de kansen.
Praktijkles. LTCM had het soort risico dat beprijsd was; wat het fonds fataal werd, was de
overtuiging dat de hefboom veilig was. Santa-Clara zei over LTCM en de dealers van 2008 dat ze
“had risk departments, models and limits, and were destroyed by losses their models had called
impossible” Santa-Clara (2026). Het recept voor ruïne bevat drie ingrediënten, en een belegger
kan er altijd één weglaten.
6.1111. Particulieren handelen te veel en houden de verkeerde dingen¶
Stelling.“Individuals trade too much and hold the wrong things.”
Waarom.Odean (1998) vond bij 10 000 rekeningen van een discountbroker dat beleggers
winnaars sneller verkopen dan verliezers (een aandeel gerealiseerde winsten van 0,148 tegen 0,098
voor verliezen), en dat de verkochte winnaars het jaar erna 3,4 procentpunt beter deden dan de
aangehouden verliezers. Barber & Odean (2000) vonden bij 66 465 huishoudens over 1991–1996 dat
“those that trade most earn an annual return of 11.4 percent, while the market returns 17.9 percent”.
De mechanismen (overconfidence, prospect theory, het disposition effect) staan in Behavioral finance en limits of arbitrage.
Rekeningdata zijn niet gratis; we meten daarom wat die twee gewoonten kosten op portefeuilles die er
het dichtst bij komen. Wie winnaars verkoopt en verliezers houdt, staat short in momentum; wie drie
aandelen kiest, draagt onbeloond risico.
prior = hap_data.french("10_Portfolios_Prior_12_2")
loser_winner = (prior["Lo PRIOR"] - prior["Hi PRIOR"]).dropna()
mu_ind = ind_ex.mean().to_numpy()
subsets = [rng.choice(n_ind, 3, replace=False) for _ in range(3000)]
draws = np.array([np.sqrt(12) * mu_ind[s].mean() / np.sqrt(cov[np.ix_(s, s)].mean()) for s in subsets])
sharpe_market = np.sqrt(12) * mkt.mean() / mkt.std()
pd.DataFrame({
"schatting": [1200 * loser_winner.mean(), loser_winner.mean() / (loser_winner.std() / np.sqrt(len(loser_winner))),
sharpe_market, np.median(draws), np.mean(draws < sharpe_market)],
"toelichting": [f"{loser_winner.index[0]:%Y}-{loser_winner.index[-1]:%Y}, % per jaar", "t-waarde",
"markt 1970-2025", "mediaan, 3000 portefeuilles van 3 industrieën",
"aandeel met lagere Sharpe dan de markt"],
}, index=["verliezers min winnaars", "", "Sharpe markt", "Sharpe 3 industrieën", ""]).round(3)
Loading...
Hoe zeker. Een portefeuille die de verliezers van het afgelopen jaar koopt en de winnaars verkoopt,
verloor over 1927–2026 13,8% per jaar (t=−5,0). Dat is een bovengrens voor wat het disposition effect
kost: een particulier houdt niet het hele verliezersdeciel en verkoopt niet het hele winnaarsdeciel, en het
verschil van 3,4 procentpunt dat Odean mat, ligt er ruim onder. Van de 3000 willekeurige portefeuilles van
drie industrieën had 82% een lagere Sharpe-ratio dan de markt, met een mediaan van 0,40 tegen 0,47. Drie
industrieën zijn nog altijd honderden aandelen; voor drie losse aandelen is het verlies groter. De stelling
bestaat uit twee delen met een verschillende status. Dat particulieren zo handelen, is gemeten op
rekeningdata Odean (1998)Barber & Odean (2000), maar niet door ons. Wat het kost, volgt uit stellingen 1,
2 en 6, en die zijn hierboven gedemonstreerd. Zekerheid: hoog.
Praktijkles. Particulieren doen precies het omgekeerde van wat de eerste tien stellingen
aanraden: ze concentreren, ze betalen, en ze handelen op nieuws dat de prijs al kent. Het is
Santa-Clara’s zin in zijn meest alledaagse vorm: het verlies komt uit “thinking I knew something the
price did not”, en de propositie hierboven zegt waarom één op de zeven toch denkt dat het werkte.
Wat de lijst verklaart. Genoeg om een leven lang goed te beleggen: spreid, betaal weinig, draag de
premies die er zijn met een horizon die lang genoeg is, gebruik geen hefboom die een financier op het
slechtste moment kan intrekken, en wantrouw het gevoel iets te weten. Opvallend is dat vrijwel alle
adviezen over wat een belegger niet moet doen met hoge zekerheid staan, en vrijwel alle uitspraken
over hoe groot een beloning is met middelmatige.
Waar het breekt. Bij de eerste momenten, zoals het 2%-motief voorspelde. De equity premium, de
factorpremies, de obligatiepremie en de liquiditeitspremie hebben het goede teken in elke steekproef
hierboven, maar hun omvang ligt steeds binnen een interval van meerdere procentpunten. Drie ervan (HML,
carry en de liquiditeitsfactor) worden in de tweede helft van hun steekproef of na publicatie zwakker, en
de low-beta-premie haalde in onze eenvoudige constructie de verwachte drempel niet. En twee stellingen, over de hedge en over hefboom, rusten op een mechanisme
dat onomstreden is en een handvol episodes die niet onafhankelijk zijn: 1929–1933, 1987, 1998, 2008 en
2020.
Risico of vergissing? De lijst is opvallend neutraal. Voor stellingen 1, 2, 5, 7 en 10 doet de
vraag er niet toe; het zijn identiteiten, tweede momenten en mechanismen. Voor stellingen 4, 6, 8 en 9
zegt de Chicago-lezing dat de premies beloningen zijn voor risico dat in slechte tijden uitkomt, en de
Yale-lezing dat het vergissingen zijn die blijven bestaan omdat arbitrage beperkt is. De data hierboven
laten zien dat de premies er zijn en dat ze in crises verliezen, en dat past bij beide. Stellingen 3
en 11 vormen een merkwaardig paar: de prijs verwerkt publieke informatie snel, terwijl de beleggers die
haar samen zetten aantoonbaar fouten maken. Grossman en Stiglitz (LLM’s, advies en efficiëntie) en de
limits of arbitrage (Behavioral finance en limits of arbitrage) maken die combinatie consistent, maar beslissen niet welk
kamp gelijk heeft over de premies. Santa-Clara’s zin kiest evenmin; hij zegt alleen dat het verschil
tussen de lezingen voor een belegger het verschil is tussen wat blijft en wat verdwijnt.
Wat er daarna kwam. De elf stellingen zijn wat overbleef nadat de barsten van zevenendertig
lectures waren opgeruimd; de barsten die níet zijn opgeruimd, de vragen waarop het vak na anderhalve
eeuw nog geen antwoord heeft, zijn het onderwerp van Wat we niet weten.
mom_d = hap_data.french("F-F_Momentum_Factor", "daily")["Mom"].dropna()
rv_mom = (mom_d**2).groupby(mom_d.index.to_period("M")).sum()
rv_mom.index = rv_mom.index.to_timestamp(how="end").normalize()
m = pd.DataFrame({"log_rv": np.log(rv_mom), "mom": mom}).loc["1927":"2025"].dropna()
rows = {}
for name, (y, x) in {"log RV(t+1) op log RV(t)": (m["log_rv"].shift(-1), m[["log_rv"]]),
"Mom(t+1) op Mom(t)": (m["mom"].shift(-1), m[["mom"]]),
"Mom(t+1) op log RV(t)": (m["mom"].shift(-1), m[["log_rv"]])}.items():
fit = hap.stats.newey_west(y, x, lags=6)
rows[name] = {"helling": fit.params.iloc[1], "t (NW)": fit.tvalues.iloc[1], "R2": fit.rsquared}
pd.DataFrame(rows).T.round(3)
Loading...
Voor momentum is de conclusie van stelling 5 nog sterker dan voor de markt. De logvariantie heeft een
R2 van 0,63 (t=39), het rendement op het eigen vorige rendement 0,005 (t=0,76). Het teken van
de derde regressie is het interessante: na een maand met hoge momentumvolatiliteit is het
momentumrendement lager (helling −0,004, t=−2,06). Dat is precies wat risicogestuurd momentum
(Jegadeesh-Titman, Carhart en momentum crashes) uitbuit: de positie terugschalen als de volatiliteit hoog is, verlaagt het risico
zonder rendement op te geven, en voegt hier zelfs rendement toe. Maar die helling heeft een t-waarde van
net boven twee en een R2 van 1%; ook hier is het tweede moment voorspelbaar en het eerste nauwelijks.
De oefening leert dat stelling 5 geen eigenschap van de markt is, maar van rendementen in het algemeen.
early = gw.loc["1871":"1926"]
early_ret = ((early["Index"] + early["D12"]) / early["Index"].shift(1) - 1).dropna()
early_ep = (early_ret - early["Rfree"].reindex(early_ret.index)).dropna()
rows = {}
for name, series in {"1872-1926": early_ep, f"{ep.index[0]:%Y}-{ep.index[-1]:%Y}": ep}.items():
mean, sd, n = series.mean(), series.std(), len(series)
rows[name] = {"jaren": n, "premie (%)": 100 * mean, "SE (%)": 100 * sd / np.sqrt(n),
"t": mean / (sd / np.sqrt(n)), "jaren nodig voor t = 3": (3 * sd / mean) ** 2}
pd.DataFrame(rows).T.round(2)
Loading...
We trekken Rfree uit dezelfde rij af, zoals de Goyal-Welch-premie in hap.data en de replicatie
van stelling 4 dat doen.
Over 1872–1926 is de premie 4,3% per jaar met een standaardfout van 2,2 procentpunt (t=1,95),
minder dan de helft van de 8,8% sinds 1926 en net niet significant. Voor t=3 zijn met deze premie
en volatiliteit volgens (2) 130 jaar data nodig, voor de periode sinds 1926 46
jaar. Het verschil tussen de twee perioden, 4,5 procentpunt, heeft een standaardfout van ongeveer
2,232+1,992=3,0 en is zelf dus ook niet significant (t≈1,5). “De
premie is 5–7%” is daarmee een interval dat beide perioden raakt, geen meting tot op één procentpunt.
De oefening leert dat het teken van de premie in beide perioden hetzelfde is, maar dat haar omvang het
onzekerste getal in de tabel is.
six = hap_data.french("6_Portfolios_ME_Prior_12_2")
lw = pd.DataFrame({"klein": six["SMALL LoPRIOR"] - six["SMALL HiPRIOR"],
"groot": six["BIG LoPRIOR"] - six["BIG HiPRIOR"]}).dropna()
lw["klein min groot"] = lw["klein"] - lw["groot"]
rows = {}
for period, (start, end) in {"1927-2026": ("1927", "2026"), "2000-2026": ("2000", "2026")}.items():
for col in lw:
s = lw[col].loc[start:end]
rows[(period, col)] = {"gem. (%/jr)": 1200 * s.mean(), "SE (%/jr)": 1200 * s.std() / np.sqrt(len(s)),
"t": s.mean() / (s.std() / np.sqrt(len(s)))}
pd.DataFrame(rows).T.round(2)
Loading...
Verliezers min winnaars kost in kleine aandelen 8,9% per jaar (t=−5,5) en in grote 6,0%
(t=−3,3); het verschil van 2,9 procentpunt is significant (t=−2,70). Na 2000 is geen van de drie
significant: in kleine aandelen −3,8% met een standaardfout van 3,5 procentpunt. Dat past bij de
momentumcrash van 2009 en bij de verzwakking van gepubliceerde premies (De factor zoo), en het is
weer motief 1: 26 jaar is te kort om een premie van deze omvang met zekerheid te zien. De stelling dat het
disposition-patroon geld kost, houdt over de volle eeuw stand en is het sterkst in de aandelen die
particulieren relatief veel houden. Over de laatste kwarteeuw is ze met deze data niet meer aan te tonen,
al wijst het teken nog dezelfde kant op.
Harvey, C. R., Liu, Y., & Zhu, H. (2016). \ldots and the Cross-Section of Expected Returns. The Review of Financial Studies, 29(1), 5–68. 10.1093/rfs/hhv059
Merton, R. C. (1980). On Estimating the Expected Return on the Market: An Exploratory Investigation. Journal of Financial Economics, 8(4), 323–361. 10.1016/0304-405X(80)90007-0
Sharpe, W. F. (1964). Capital Asset Prices: A Theory of Market Equilibrium under Conditions of Risk. The Journal of Finance, 19(3), 425–442. 10.1111/j.1540-6261.1964.tb02865.x
Ang, A., Hodrick, R. J., Xing, Y., & Zhang, X. (2006). The Cross-Section of Volatility and Expected Returns. The Journal of Finance, 61(1), 259–299. 10.1111/j.1540-6261.2006.00836.x
Sharpe, W. F. (1991). The Arithmetic of Active Management. Financial Analysts Journal, 47(1), 7–9. 10.2469/faj.v47.n1.7
French, K. R. (2008). Presidential Address: The Cost of Active Investing. The Journal of Finance, 63(4), 1537–1573. 10.1111/j.1540-6261.2008.01368.x
Fama, E. F. (1970). Efficient Capital Markets: A Review of Theory and Empirical Work. The Journal of Finance, 25(2), 383–417. 10.1111/j.1540-6261.1970.tb00518.x
Fama, E. F., Fisher, L., Jensen, M. C., & Roll, R. (1969). The Adjustment of Stock Prices to New Information. International Economic Review, 10(1), 1–21. 10.2307/2525569
Mehra, R., & Prescott, E. C. (1985). The Equity Premium: A Puzzle. Journal of Monetary Economics, 15(2), 145–161. 10.1016/0304-3932(85)90061-3
Andersen, T. G., Bollerslev, T., Diebold, F. X., & Labys, P. (2003). Modeling and Forecasting Realized Volatility. Econometrica, 71(2), 579–625. 10.1111/1468-0262.00418
Welch, I., & Goyal, A. (2008). A Comprehensive Look at the Empirical Performance of Equity Premium Prediction. Review of Financial Studies, 21(4), 1455–1508. 10.1093/rfs/hhm014
Fama, E. F., & French, K. R. (1993). Common Risk Factors in the Returns on Stocks and Bonds. Journal of Financial Economics, 33(1), 3–56. 10.1016/0304-405X(93)90023-5
Jegadeesh, N., & Titman, S. (1993). Returns to Buying Winners and Selling Losers: Implications for Stock Market Efficiency. The Journal of Finance, 48(1), 65–91. 10.1111/j.1540-6261.1993.tb04702.x
Show all 29 references
Deze onafhankelijke site is niet verbonden aan of onderschreven door QuantEcon.
De vormgeving is gebaseerd op het MIT-gelicentieerde
QuantEcon MyST-thema.
Zie THIRD_PARTY_NOTICES.md voor de licentie-informatie.