Verliest actief beheer omdat niemand vaardig is? Nee, want dat de gemiddelde actieve
dollar na kosten achterblijft, volgt al uit een optelsom. De vaardigheid die wel bestaat,
komt in evenwicht bij de beheerder terecht en niet bij de belegger. Een deel van dat
antwoord is bewezen en een deel gemeten, want de rekenkunde is een stelling, en dat
factoren en kosten de persistentie van fondsrendementen verklaren, is een waarneming van
Carhart. Of er daarnaast een restje vaardigheid overblijft, is een open vraag, want de
data laten meer dan één verklaring toe. In dit college
laten we met drie beleggers en twee aandelen zien dat de actieve beleggers samen
vóór kosten precies de markt halen;
bewijzen we die rekenkunde van Sharpe en leiden we het evenwicht van Berk en
Green af, waarin een vaardige beheerder groeit tot de belegger niets extra’s meer
overhoudt;
bespreken we hoe de standaardfout van alpha, de bootstrap van Fama en French en
de false discovery rate vaardigheid van geluk proberen te scheiden;
simuleren we 2000 fondsen waarvan we de waarheid kennen, om te zien hoeveel
vaardige fondsen die methoden terugvinden;
repliceren we op 50 Amerikaanse fondsen de gemiddelde alpha, de bootstrap van
Fama en French en de persistentie van Carhart.
Jensen vond in 1968 dat beleggingsfondsen na kosten gemiddeld 1,1% per jaar
achterbleven bij de markt Jensen (1968). Sharpe liet in 1991 in drie
pagina’s zien waarom dat vóór kosten niet anders kan Sharpe (1991).
Intussen bouwden dezelfde academische kringen de bijbehorende industrie.
Wells Fargo begon in 1971 het eerste indexfonds voor institutionele beleggers en Vanguard
in 1976 het eerste voor particulieren. Oud-studenten van Fama richtten Dimensional Fund
Advisors (1981) en AQR (1998) op, die de factorpremies uit
Fama-French 1992/1993 en Jegadeesh-Titman, Carhart en momentum crashes als product verkochten. Santa-Clara noemt
het de eigenaardige sociologie van het vak dat juist de onderzoekers die aantoonden dat
actief beheer faalt, zelf actieve beheerders oprichtten Santa-Clara (2026). Toch hadden
ze in beide rollen gelijk. Berk en
Green gaven Berk & Green (2004) die schijnbare tegenspraak
een model, en Fama en French Fama & French (2010) en Barras, Scaillet en Wermers
Barras et al. (2010) leverden de statistiek waarmee het college eindigt.
Elk aandeel is van iemand. Tellen we de portefeuilles van alle beleggers op, dan
komt er precies de markt uit. Splitsen we de beleggers in twee groepen, zij die de
markt kopen en niets doen en zij die iets anders doen, dan haalt de eerste groep
het marktrendement. De tweede groep bezit samen dus de rest van de markt, en
omdat die rest dezelfde samenstelling heeft, haalt ook die groep samen het
marktrendement. Voor elke actieve belegger die de markt verslaat, blijft er dus
een andere actieve belegger evenveel achter. Trekken we daarna de kosten af, die
bij actief beheer hoger zijn, dan verliest de gemiddelde actieve dollar, zonder
dat er een model van risico aan te pas komt. Beleggers namen die rekenkunde pas laat ter
harte, want pas eind 2019 hielden indexfondsen en index-ETF’s (beursgenoteerde
indexfondsen) samen 15% van de Amerikaanse beurswaarde, evenveel als actief beheerde
aandelenfondsen Investment Company Institute (2020).
Dat oud-studenten van Fama toch actieve bedrijven oprichtten, is om drie redenen geen
tegenspraak.
De rekenkunde gaat over alle actieve dollars, zodat fondsen samen kunnen winnen
van particulieren, die volgens Santa-Clara te veel handelen en de verkeerde
aandelen houden Santa-Clara (2026)Barber & Odean (2000).
DFA en AQR verkochten vooral goedkope blootstelling aan premies, en voor de
rekenkunde maakt het niet uit of zo’n premie een vergoeding voor risico is of
een vergissing van anderen.
Vaardigheid kan bestaan zonder dat beleggers er iets van merken.
Het derde punt vraagt om uitleg. Een goede beheerder trekt geld aan, en een groter
fonds plaatst grotere orders, die de prijs tegen het fonds in bewegen zoals de
Kyle-λ uit Kyle, Glosten-Milgrom en liquiditeit voorspelt. Het geld blijft stromen tot
het rendement voor de belegger niet meer bijzonder is, zodat de beheerder de
vergoeding krijgt en de belegger het marktrendement. We verwachten dus dat goede jaren een
fonds groter maken zonder dat het daarna beter rendeert. Vaardigheid wordt dan eerder
zichtbaar in de omvang van fondsen dan in hun rendementen. Bovendien is de standaardfout
van een alpha na twintig jaar nog ruim één procentpunt per jaar, zodat ook duizenden
fondsen zonder vaardigheid een staart van sterren opleveren. De vraag is dan niet of één
fonds goed is, maar of er meer goede fondsen zijn dan toeval oplevert.
We laden eerst de pakketten die in het hele college nodig zijn.
import numpy as np
import pandas as pd
import matplotlib.pyplot as plt
from scipy import stats
import hap
from hap import data as hap_data
hap.plotting.setup()
rng = np.random.default_rng(20240101)
De markt bestaat uit twee aandelen, A met marktwaarde 60 en B met marktwaarde 40.
Over het jaar rendeert A +10% en B −5%. Drie beleggers bezitten samen alles,
en de passieve belegger P betaalt minder kosten dan de actieve beleggers X en Y.
Belegger
in A
in B
vermogen
kosten
passief P
30
20
50
0,1%
actief X
25
5
30
1,0%
actief Y
5
15
20
1,0%
markt
60
40
100
De markt rendeert 0,6×10+0,4×(−5)=4%, en P haalt dat ook,
omdat hij A en B in de verhouding 60:40 houdt.
X zette zwaar in op A en haalt (25×10−5×5)/30=7,5%.
Y zat vooral in B en haalt (5×10−15×5)/20=−1,25%.
X en Y bezitten samen 30 in A en 20 in B, weer 60:40, en halen samen
(30×7,5+20×(−1,25))/50=4%.
Na 1% kosten houden X en Y samen 3,0% over, 0,9 procentpunt minder
dan P met zijn 3,9%.
De code rekent dezelfde stappen na en zet ze naast de handberekening.
Hand en code komen op alle zes regels overeen. X versloeg de markt wel, maar Y
betaalde daar precies voor, en na kosten verliezen de actieve beleggers samen
0,9 procentpunt op de passieve belegger.
De theorie beantwoordt de vraag uit het Overzicht in drie stappen. Eerst laten we
zien dat de gemiddelde actieve dollar vóór kosten precies de markt haalt en na
hogere kosten dus achterblijft, als identiteit en zonder model. Daarna volgt het model van
Berk en Green, waarin
vaardigheid bestaat maar de belegger in evenwicht niets extra’s oplevert. Dat model
verschuift de vraag van “bestaat vaardigheid?” naar “hoe meten we die in duizenden
fondsen?”. Daarom eindigen we met drie meetinstrumenten: de standaardfout
van alpha, de bootstrap en de false discovery rate.
Het gemiddelde rendement van de actieve beleggers is vóór kosten gelijk aan het
marktrendement, in elke periode. Er zijn N effecten met marktwaarden
M1,t,…,MN,t en rendementen Ri,t+1 tussen t en t+1, zodat het
marktrendement Rm,t+1=∑iMi,tRi,t+1/∑iMi,t is; het
subscript m staat hier voor de markt. Belegger j houdt op t voor
hi,tj≥0 dollar in effect i, met vermogen Wtj=∑ihi,tj
en bruto rendement Rt+1j=∑ihi,tjRi,t+1/Wtj.
Sharpe noemt een belegger passief als hij van elk effect hetzelfde deel bezit, dus
hi,tj=θjMi,t voor alle i met een vaste θj>0Sharpe (1991). Elke andere belegger is actief, en de verzamelingen passieve en actieve
beleggers heten P en A. De kosten cj zijn een fractie van het
vermogen, bijvoorbeeld 0,1% voor P en 1% voor X en Y.
Het bewijs telt de posities op. De passieve beleggers bezitten samen een vast deel Θ=∑j∈Pθj
van elk effect. De actieve beleggers bezitten dus samen het deel 1−Θ van elk
effect, en een evenredig stuk van de
markt heeft het rendement van de markt. In het toy-voorbeeld is Θ=0,5,
want P bezit de helft van A en de helft van B, en dus bezitten X en Y samen ook
van elk aandeel de helft.
Proof 1
Tel de posities van de actieve beleggers in effect i op en gebruik dat alles
gehouden wordt:
∑j∈Ahi,tj=Mi,t−∑j∈PθjMi,t=(1−Θ)Mi,t, met Θ<1 omdat A iets bezit. Het
gezamenlijke vermogen van de actieve beleggers is dan
(1−Θ)∑iMi,t, en hun gezamenlijke opbrengst in dollars is
Delen door het gezamenlijke vermogen geeft de eerste gelijkheid. Omdat de kosten
per belegger een vaste aftrek zijn, is het gewogen gemiddelde na kosten
Rm,t+1−cˉA. Een passieve belegger haalt
Rm,t+1−cj. □
De eerste gelijkheid in (1) zegt dat de actieve beleggers samen
vóór kosten precies de markt halen, de tweede dat ze na kosten achterblijven zodra hun
kosten gemiddeld hoger zijn dan die van passieve beleggers. Het bewijs
gebruikt geen verwachtingen, zodat de uitspraak in élke periode geldt. Ze gaat
wel over alle actieve dollars, en een echte indexbelegger moet bij
indexwijzigingen en emissies handelen. Onder kosten vallen bovendien alle kosten,
van vergoedingen en spreads tot de prijsimpact uit Kyle, Glosten-Milgrom en liquiditeit. French telde
ze op voor de Amerikaanse beurs French (2008) en kwam over 1980–2006
uit op 0,67% van de marktwaarde per jaar. Omdat de bruto alpha’s samen nul zijn,
is dat volgens hem ook wat de gemiddelde belegger per jaar had kunnen winnen door
passief te beleggen.
Vaardigheid en een nettoalpha van nul gaan samen zodra kapitaal vrij naar een
fonds kan stromen en een groter fonds per dollar meer handelskosten maakt. Biedt een fonds
na kosten meer verwacht rendement dan de index, dan verplaatsen beleggers hun geld
ernaartoe. Die instroom stopt pas wanneer het fonds zo groot is dat het extra
rendement op is. In evenwicht voorspelt het verleden daarom niets over het
rendement van de belegger, maar veel over de omvang van het fonds.
We volgen Berk & Green (2004), maar noemen hun vaardigheid a om verwarring
met de geschatte Jensen-alpha te voorkomen. De beheerder haalt op actief beheerd
geld een risicogecorrigeerd overrendement vóór kosten Rt+1=a+et+1, met
onafhankelijke ruis et+1∼N(0,σ2) en σ in de orde van 5%
per jaar. Niemand kent a, ook de beheerder niet. De markt begint met de prior
(de verdeling vóór de eerste waarneming) a∼N(ϕ0,η2) en schrijft
τ=1/η2 en ω=1/σ2 voor de precisies. Met de regel van Bayes
is de verwachte vaardigheid na t jaar
een gewogen gemiddelde van de prior en de waarnemingen, zodat elk goed jaar
ϕt verhoogt.
De beheerder belegt qa,t actief en qI,t in de index, samen
qt=qa,t+qI,t. Het actieve deel kost C(qa,t), met C(0)=0 en
stijgende marginale kosten (C′>0, C′′>0) die op den duur elk denkbaar rendement
overtreffen (limq→∞C′(q)>1), zodat het fonds eindig groot blijft, en
hij rekent een vergoeding f per beheerde dollar. Het rendement voor de belegger
boven de index is dan
Het eerste deel is de vaardigheid, verdund over het hele fonds, en het tweede deel
zijn de handelskosten en de vergoeding per dollar. Beleggers leveren kapitaal
zolang Et[rt+1]≥0, en de beheerder maximaliseert zijn vergoeding
fqt onder die voorwaarde.
Proof 2
Stap 1: de voorwaarde van de belegger is bindend. De verwachting van
(4) is (ϕtqa,t−C(qa,t)−fqt)/qt. De
doelfunctie fqt stijgt in qt en de voorwaarde
ϕtqa,t−C(qa,t)−fqt≥0 daalt erin, dus in het optimum geldt
gelijkheid.
Stap 2: marginale kosten gelijk aan verwachte alpha. De beheerder kiest qa en q,
met de Lagrangiaan
waarin λp de schaduwprijs van de participatievoorwaarde is en λf die van
qI=q−qa≥0. De eerste-ordevoorwaarde voor qa is
λp(ϕt−C′(qa))=λf, en die voor q is f(1−λp)+λf=0.
Heeft het fonds een indexdeel, dan bindt qI≥0 niet en is λf=0
(complementariteit), zodat λp=1>0 en C′(qa,t)=ϕt. Invullen in de
bindende voorwaarde geeft qt=(ϕtqa,t−C(qa,t))/f, en de oplossing is
inwendig zolang qI,t=qt−qa,t>0. Anders is qI,t=0 en λf>0,
zodat C′(qa,t)<ϕt en qt de vergelijking ϕt=(C(qt)+fqt)/qt oplost.
Stap 3: het rendement is niet te voorspellen. De bindende voorwaarde is precies
Et[rt+1]=0. Dan is E[rt+1g]=E[gEt[rt+1]]=0 en
E[rt+1]=0, dus de covariantie is nul.
Stap 4: de omvang stijgt met elk goed jaar. In het inwendige geval geeft de
omhullende-stelling dqt/dϕt=qa,t/f>0. In het randgeval is
ϕt=C(qt)/qt+f, en C(q)/q stijgt strikt omdat C strikt convex is met
C(0)=0. Ten slotte is ∂ϕt/∂Rs=ω/(τ+tω)>0.
□
Met getallen wordt het evenwicht tastbaar. Neem een verwachte vaardigheid van
ϕ=3% per jaar, kwadratische handelskosten C(qa)=bqa2 met
b=0,005 per miljard dollar, zodat de kosten per actieve dollar bqa zijn,
en een vergoeding f=1%.
Mag de beheerder geen index bijmengen, dan stroomt er geld toe tot
ϕ−bq−f=0, dus tot q=(0,03−0,01)/0,005=4 miljard, en
verdient hij 40 miljoen per jaar.
Mag hij het surplus in de index beleggen, dan beheert hij actief tot
2bqa=ϕ, dus qa=3 miljard, en brengen beleggers geld tot
ϕqa−bqa2=fq, dus q=(0,09−0,045)/0,01=4,5 miljard.
De vergoeding van 45 miljoen is dan precies de waarde die hij toevoegt.
Schat de markt zijn verwachte vaardigheid na een goed jaar op ϕ=4%, dan groeit
het fonds
naar q=(0,16−0,08)/0,01=8 miljard, 78% meer dan de 4,5 miljard hierboven.
Het fonds met indexdeel is groter en deels een closet indexer (een fonds dat
voor actief beheer rekent maar grotendeels de index volgt). De code rekent de drie
gevallen na.
phi, b, f = 0.03, 0.005, 0.01 # expected skill, cost per $bn, fee
q_all_active = (phi - f) / b
q_active = phi / (2 * b)
q_total = (phi * q_active - b * q_active**2) / f
investor_alpha = (phi * q_active - b * q_active**2 - f * q_total) / q_total
value_added = phi * q_active - b * q_active**2
phi_new = 0.04
q_active_new = phi_new / (2 * b)
q_total_new = (phi_new * q_active_new - b * q_active_new**2) / f
print(f"versie 1: q* = {q_all_active:.2f} mld, vergoeding = {1000 * f * q_all_active:.1f} mln")
print(f"versie 2: q_a = {q_active:.2f} mld, q = {q_total:.2f} mld, "
f"vergoeding = {1000 * f * q_total:.1f} mln")
print(f"toegevoegde waarde = {1000 * value_added:.1f} mln, nettoalpha belegger = {investor_alpha:.4%}")
print(f"na herwaardering naar phi = 4%: q = {q_total_new:.2f} mld "
f"(instroom {q_total_new / q_total - 1:.0%})")
assert np.isclose(q_all_active, 4) and np.isclose(q_total, 4.5) and np.isclose(q_total_new, 8)
De belegger houdt in alle gevallen een nettoalpha van nul over, ondanks een
beheerder met een verwachte vaardigheid van drie procent. Het goede jaar brengt instroom
en geen
beter rendement, en daarmee wordt vaardigheid zichtbaar in de omvang van het fonds, zoals
we in de Intuïtie verwachtten.
Voor kwadratische kosten wordt alles expliciet, met qa,t=ϕt/(2b) en
qt=ϕt2/(4bf) zolang ϕt≥2f. De omvang is kwadratisch in de
verwachte vaardigheid, zodat een beheerder die twee keer zo goed wordt geacht, vier
keer zoveel geld beheert. Hogere schaalkosten b maken het fonds kleiner, en een
hogere vergoeding f ook, omdat de belegger dan al bij een kleiner fonds niets
extra’s meer overhoudt. De vergoeding in dollars, fqt=ϕt2/(4b), hangt
echter niet van f af, want een duurder fonds krijgt precies zoveel minder geld
dat de beheerder evenveel verdient.
4.3Wat het model voorspelt: geen persistentie in rendementen¶
Als vaardigheid bestaat en langzaam verandert, zou een naïeve lezing verwachten dat
de winnaars van vorig jaar ook dit jaar beter zijn. Carhart toetste dat
Carhart (1997) op 1892 fondsen over 1962–1993, in een steekproef zonder survivorship
bias
(vertekening doordat alleen overlevende fondsen in de data zitten). Hij vond dat
gemeenschappelijke factoren en kosten de persistentie vrijwel volledig verklaren.
Het eerdere “hot hands”-resultaat kwam grotendeels van momentum (relatieve
winnaars van het afgelopen jaar blijven een tijd winnen) in de aandelen van de fondsen
Jegadeesh & Titman (1993). Alleen de slechtste fondsen bleven significant slecht.
Carhart concludeerde dat zijn resultaten het bestaan van
vaardige beheerders niet ondersteunen.
Volgens Theorem 1 is die conclusie te snel, omdat het
ontbreken van persistentie in rendementen precies is wat het model ook bij
vaardige beheerders voorspelt. Berk en Green kalibreerden hun model op
kapitaalstromen en overlevingskansen en vonden dat ongeveer 80% van de actieve
beheerders genoeg vaardigheid heeft om de eigen vergoeding terug te verdienen
Berk & Green (2004). Vaardigheid moet dan in dollars worden gemeten.
Berk en Van Binsbergen vermenigvuldigden daarom de bruto alpha ten opzichte van de
goedkoopste indexfondsen met het beheerde vermogen Berk & Binsbergen (2015).
Volgens de werkversie van dat onderzoek uit 2012 voegde de gemiddelde beheerder op die
manier ongeveer 2 miljoen dollar per jaar toe, en die vaardigheid bleef over tien jaar
bestaan Berk & Binsbergen (2012).
Een fonds moet niet de markt verslaan, maar een mechanische portefeuille met
dezelfde blootstellingen. Een fonds dat kleine waardeaandelen koopt en de markt
verslaat, heeft immers niets gedaan wat DFA niet goedkoper verkoopt. Voor fonds i
met overrendement Ri,t+1e en K factorrendementen ft+1 is de
prestatieregressie
Voor het CAPM is f=RmeJensen (1968) en voor het driefactormodel
f=(Rme,SMB,HML)Fama & French (1993). Het
vierfactormodel van Carhart Carhart (1997) voegt daar de momentumfactor UMD aan toe,
zoals in (4). Omdat de factoren
overrendementen van verhandelbare portefeuilles zijn, is αi het gemiddelde
rendement van het fonds min dat van de replicerende portefeuille
βi⊤f. De vraag is dan hoe
lang we moeten kijken voordat α^i iets zegt.
Proof 3
Met X=[1,F] is
Var(b^∣F)=σε2(X⊤X)−1
en X⊤X/T=(1μ^fμ^f⊤Σ^f+μ^fμ^f⊤).
Het (1,1)-element van de inverse is volgens de formule voor gepartitioneerde
matrices 1/(1−μ^f⊤(Σ^f+μ^fμ^f⊤)−1μ^f).
Sherman-Morrison geeft μ^f⊤(Σ^f+μ^fμ^f⊤)−1μ^f=s/(1+s)
met s=μ^f⊤Σ^f−1μ^f,
dus het element is 1/(1−s/(1+s))=1+s. Vermenigvuldig met
σε2/T. □
De term tussen haakjes in (7) is één plus de gekwadrateerde
maximale Sharpe-ratio van de factoren per periode. Bij een Sharpe-ratio van
ongeveer 0,14 per maand is hij rond 1,02. Het probleem is daarom niet de formule maar de
ruis, net als bij
de standaardfout van 2% van een gemiddeld rendement. De tracking
error (de standaarddeviatie van
ε, het rendement dat de factoren niet verklaren) van een actief
aandelenfonds is al gauw 5% per jaar. Een beheerder met een werkelijke alpha van
1% haalt na T jaar dan een verwachte t-waarde van 1⋅T/5. Voor t=2
zijn dan 100 jaar nodig, en bij een alpha van 2% nog altijd 25 jaar.
Omdat één fonds zo niet te beoordelen is, kijkt de literatuur naar de hele
cross-sectie van fondsen.
Als geen enkel fonds vaardig is, volgen de geschatte t-waarden van alpha de verdeling
van de ruis, zodat alleen een staart die dikker is dan die van de ruis op vaardigheid wijst.
Fondsrendementen zijn echter niet normaal, hebben verschillende
volatiliteiten en zijn onderling sterk gecorreleerd, zodat een tabel van de
t-verdeling de verkeerde nulhypothese beschrijft. De bootstrap (herhaald trekken
uit de eigen data) maakt die nulverdeling daarom uit de data zelf. Fama en French hielden
ook de correlatie tussen fondsen vast door hele maanden te trekken Fama & French (2010).
Omdat alle fondsen dezelfde maanden krijgen, bevat de gesimuleerde cross-sectie ook
de gemeenschappelijke schokken van de echte. Liggen de werkelijke staartpercentielen
in bijna alle trekkingen buiten de simulaties, dan zijn er meer extreme fondsen dan
geluk verklaart. Fama en French vonden dat weinig Amerikaanse aandelenfondsen genoeg
verdienen om hun kosten te dekken. Vóór kosten zagen ze in beide staarten wel sporen van
slechte en goede beheerders Fama & French (2010).
4.6Veel toetsen tegelijk: de false discovery rate¶
Wie 2000 fondsen toetst op een niveau van 5%, vindt zonder enige vaardigheid
honderd “significante” fondsen. De vraag is daarom niet hoe vaak een fonds zonder
vaardigheid ten onrechte wordt verworpen, maar welk deel van de verwerpingen
onterecht is. Stel dat M hypothesen H1,…,HM met p-waarden
p1,…,pM zijn getoetst, waarvan M0 waar. Met V het aantal onterechte en
R het totale aantal verwerpingen is de false discovery rate (het verwachte
aandeel onterechte ontdekkingen) FDR=E[V/max(R,1)].
Proof 4
Neem een ware nulhypothese i en laat R(i) het aantal verwerpingen zijn als
pi door 0 wordt vervangen, zodat R(i) alleen van de andere p-waarden
afhangt. De procedure heeft de eigenschap dat
{Hi verworpen,R=k}={pi≤qk/M,R(i)=k}, omdat een
verworpen pi het aantal verwerpingen niet verandert als hij naar nul gaat. Dus
waarbij de tweede stap onafhankelijkheid en uniformiteit gebruikt en de derde dat
R(i)≥1 zeker is, want pi=0 wordt altijd verworpen. □
Barras, Scaillet en Wermers gebruikten dezelfde uniformiteit
Barras et al. (2010) om niet te
beslissen welk fonds vaardig is, maar te schatten hoeveel fondsen dat zijn. Ze
delen de fondsen in drie groepen: fondsen met een alpha na kosten van nul (aandeel
π0), onvaardige fondsen met een negatieve alpha (πA−) en vaardige fondsen
met een positieve alpha (πA+).
Het bewijs laat ook de zwakte zien: een vaardig fonds dat niet significant is, telt
mee als nulfonds, zodat π^A+ bij weinig data te laag uitvalt. Barras,
Scaillet en Wermers vonden dat ongeveer driekwart van de fondsen na kosten een alpha van
nul had,
wat past bij het evenwicht van Berk en Green. Vóór 1996 zagen ze een flink aandeel
vaardige fondsen, maar in 2006 vrijwel geen meer Barras et al. (2010).
5Simulatie: 2000 fondsen, waarvan een paar kunnen wat ze beloven¶
Welk deel van de vaardige fondsen vinden de t-toets, de bootstrap en de false discovery
rate terug als we de waarheid kennen? Dat hangt vermoedelijk af van de lengte van de
steekproef, dus variëren we die ook. Er zijn
M=2000 fondsen en T=240 maanden. Van de fondsen heeft 70% een alpha na
kosten van nul, 10% een alpha van +2% per jaar en 20% een alpha van −2% per jaar.
Die laatste groep verliest twee keer de kosten van X en Y uit het toy-voorbeeld.
Elk fonds heeft een marktbèta tussen 0,8 en 1,2 en een tracking error van
1,5% per maand, ongeveer 5% per jaar zoals in de theorie. De marktpremie is
0,6% per maand met een volatiliteit van 4,5%. Voor een vaardig fonds is de
verwachte t-waarde 0,167240/1,5≈1,7, zodat zo’n fonds wel
vaardig is, maar gemiddeld niet significant. De eerste cel schat voor elk fonds de
CAPM-alpha en de t-waarde
ervan.
def alpha_tstats(Y, F):
"""OLS intercepts, t-statistics and slopes for every column of Y on factors F.
Y is a (T, M) array of excess returns, F a (T, K) array of factors without a
constant. Standard errors are homoskedastic.
"""
# TODO: naar hap.stats (cross-sectional alpha regression)
T = Y.shape[0]
X = np.column_stack([np.ones(T), F])
XtX_inv = np.linalg.inv(X.T @ X)
coef = XtX_inv @ X.T @ Y
resid = Y - X @ coef
s2 = (resid**2).sum(axis=0) / (T - X.shape[1])
se_alpha = np.sqrt(s2 * XtX_inv[0, 0])
return coef[0], coef[0] / se_alpha, coef[1:]
def simulate_universe(n_months, rng, counts=(1400, 200, 400), alpha_ann=0.02,
sigma_eps=0.015):
"""Simulate fund excess returns: groups 0 = zero alpha, 1 = skilled, 2 = unskilled."""
groups = np.repeat([0, 1, 2], counts)
alpha = np.array([0.0, alpha_ann, -alpha_ann])[groups] / 12
mkt = rng.normal(0.006, 0.045, n_months)
beta = rng.uniform(0.8, 1.2, groups.size)
eps = rng.normal(0.0, sigma_eps, (n_months, groups.size))
return alpha + np.outer(mkt, beta) + eps, mkt[:, None], groups
Y_sim, F_sim, groups = simulate_universe(240, rng)
alpha_sim, t_sim, _ = alpha_tstats(Y_sim, F_sim)
group_names = ["nul-alpha", "vaardig", "onvaardig"]
pd.DataFrame({
"aantal": [np.sum(groups == g) for g in range(3)],
"gem. t(alpha)": [t_sim[groups == g].mean() for g in range(3)],
"aandeel t > 2": [np.mean(t_sim[groups == g] > 2) for g in range(3)],
"aandeel t < -2": [np.mean(t_sim[groups == g] < -2) for g in range(3)],
}, index=group_names).round(3)
Loading...
De tabel laat het probleem zien. Van de 1400 nulfondsen haalt 2,0% toch t>2, en
dat zijn 28 fondsen met geluk, terwijl van de 200 vaardige fondsen maar 36% die
drempel haalt. Van de honderd fondsen met t>2 is daardoor iets meer dan een kwart niet
vaardig, en bijna twee derde van de vaardige fondsen blijft onzichtbaar. In de
figuur hieronder gaat het om de rechterstaart, waar de gestapelde balken van
nulfondsen en vaardige fondsen door elkaar lopen.
Source
fig, ax = plt.subplots()
bins = np.linspace(-6, 6, 61)
ax.hist([t_sim[groups == g] for g in (2, 0, 1)], bins=bins, stacked=True,
label=["onvaardig (20%)", "nul-alpha (70%)", "vaardig (10%)"], edgecolor="white")
grid = np.linspace(-6, 6, 400)
ax.plot(grid, stats.t.pdf(grid, 238) * t_sim.size * (bins[1] - bins[0]), color="black",
lw=1.2, label="nulverdeling, alle fondsen")
for c in (-2, 2):
ax.axvline(c, color="black", ls="--", lw=0.8)
ax.set_xlabel("$t$-waarde van de geschatte alpha")
ax.set_ylabel("Aantal fondsen")
ax.set_title("2000 gesimuleerde fondsen over twintig jaar")
ax.legend()
plt.show()
Figure 1:De cross-sectie van t(α^) is een mengsel van drie verdelingen die elkaar
grotendeels overlappen. De vaardige fondsen verschuiven de rechterstaart, maar veel
van de fondsen met t>2 zijn nulfondsen met geluk, en de meeste vaardige fondsen
halen de drempel niet.
Omdat de t-toets per fonds zo weinig vaardige fondsen vindt, passen we nu de
bootstrap toe alsof we de waarheid niet kenden, met 500 trekkingen. Fama en French
schatten zelf geen aandeel vaardige fondsen. Om de methoden toch te vergelijken, nemen we
het deel van de fondsen
boven het 90e percentiel van de bootstrapverdeling, min de 10% die daar zonder
vaardigheid verwacht wordt.
De bootstrap ziet dat er iets aan de hand is, want links liggen de werkelijke
percentielen in alle simulaties lager en rechts vanaf het 90e percentiel hoger. Dat
is het patroon dat Fama en French beschrijven. De volgende cel zet de bootstrap,
de schatter van Barras, Scaillet en Wermers en de procedure van Benjamini en
Hochberg naast de waarheid.
Om vaardige fondsen te tellen is de bootstrap zwak, want vertaald naar een aandeel vindt
hij 2%
vaardige fondsen tegen 10% in werkelijkheid. De schatter van Barras, Scaillet en
Wermers geeft π^0=0,80 en π^A+=0,04, ook te laag, omdat
vaardige fondsen die niet significant zijn als nulfonds meetellen. Benjamini-Hochberg
vindt 16 vaardige fondsen zonder één onterechte ontdekking, wat betrouwbaar is, maar
het zijn er 16 van de 200.
Eén universum zegt weinig over een schatter. We herhalen de simulatie daarom
tweehonderd keer, voor steekproeven van tien, twintig en veertig jaar, en kijken naar
de verdeling van π^A+.
horizons = [120, 240, 480]
n_universes = 200
pi_plus_draws = {T: np.empty(n_universes) for T in horizons}
pi0_draws = {T: np.empty(n_universes) for T in horizons}
for T in horizons:
for u in range(n_universes):
Y_u, F_u, _ = simulate_universe(T, rng)
t_u = alpha_tstats(Y_u, F_u)[1]
pi0_draws[T][u], _, pi_plus_draws[T][u] = fdr_proportions(t_u, df=T - 2)
pd.DataFrame({
"gem. pi0": [pi0_draws[T].mean() for T in horizons],
"gem. pi+": [pi_plus_draws[T].mean() for T in horizons],
"SD pi+": [pi_plus_draws[T].std(ddof=1) for T in horizons],
"5e pct pi+": [np.percentile(pi_plus_draws[T], 5) for T in horizons],
"95e pct pi+": [np.percentile(pi_plus_draws[T], 95) for T in horizons],
}, index=[f"{T // 12} jaar" for T in horizons]).round(3)
Loading...
Het geschatte aandeel vaardige fondsen groeit met de lengte van de steekproef, van
gemiddeld 0,032 na tien jaar tot 0,085 na veertig jaar, terwijl de spreiding tussen
universa klein blijft. In de figuur gaat het om de afstand tussen elk histogram en
de verticale lijn bij het ware aandeel van 10%.
Source
fig, ax = plt.subplots()
for T in horizons:
ax.hist(pi_plus_draws[T], bins=30, alpha=0.6, label=f"{T // 12} jaar")
ax.axvline(0.10, color="black", lw=1.2, label="ware aandeel vaardig")
ax.set_xlabel("geschat aandeel vaardige fondsen $\\hat\\pi_A^+$")
ax.set_ylabel("Aantal gesimuleerde universa")
ax.set_title("Het aandeel vaardige fondsen, geschat in 200 universa")
ax.legend()
plt.show()
Figure 2:De schatter π^A+ varieert weinig tussen universa, maar is sterk vertekend:
met tien jaar data vindt hij gemiddeld een derde van de vaardige fondsen, met veertig
jaar 85%. Het probleem is gebrek aan onderscheidend vermogen, niet ruis, zodat een
laag geschat aandeel vaardige fondsen ook op te weinig data kan wijzen.
Er blijven 367 maanden over, van januari 1996 tot en met juli 2026, en drie fondsen
vallen af omdat hun historie te kort is. De volgende cel schat de alpha van elk
fonds tegen het CAPM, het driefactormodel en het model van Carhart.
Het totale-marktindexfonds VTSMX heeft de verwachte alpha van −0,19% per jaar
tegen het CAPM. De small-cap- en extended-marketfondsen blijven ruim één procent
per jaar achter bij de factormodellen, terwijl het groei-indexfonds er juist boven
ligt. Dat komt niet door slechte of goede beheerders, maar doordat SMB en HML papieren
portefeuilles zonder kosten zijn die niemand kan kopen. Een fonds dat positief op die
factoren laadt, lijkt daardoor achter te blijven, en een groeifonds met een negatieve
HML-lading lijkt om dezelfde reden te winnen. Daarom meten
Berk & Binsbergen (2015) vaardigheid tegen indexfondsen.
De 50 overlevende actieve fondsen doen het beter dan de fondsen van Jensen. Hun
gelijkgewogen portefeuille heeft een Carhart-alpha van 0,53% per jaar, niet
significant, en 14% van de fondsen haalt t>2 (de tabel aan het eind zet de getallen
naast de originelen). Dat ligt ruim anderhalf procentpunt boven de −1,1% die Jensen
na kosten vond, en zo groot kan het effect van selectie op overleven dus zijn. De
bootstrap hieronder gebruikt
2000 trekkingen en percentielen tussen het 5e en het 95e, omdat 50 fondsen geen
staart hebben.
Vanaf het 25e percentiel liggen de werkelijke t-waarden boven het gemiddelde van
de simulaties, en de mediaan ligt hoger dan in 95% van de trekkingen. In de figuur
gaat het om de zwarte lijn van de werkelijke fondsen, die als geheel rechts van het
histogram zonder vaardigheid ligt.
Source
fig, ax = plt.subplots()
bins = np.linspace(-5, 5, 41)
ax.hist(t_real_boot.ravel(), bins=bins, density=True, alpha=0.5,
label="bootstrap, alle alpha's nul")
ax.hist(t_real, bins=bins, density=True, histtype="step", lw=2, color="black",
label=f"werkelijk, {len(active_cols)} actieve fondsen")
ax.set_xlabel("$t$-waarde van de Carhart-alpha")
ax.set_ylabel("Dichtheid")
ax.set_title("Overlevende actieve fondsen tegen een bootstrap zonder vaardigheid, 1996-2026")
ax.legend()
plt.show()
Figure 3:De hele verdeling van werkelijke t-waarden ligt rechts van de bootstrap zonder
vaardigheid, met een mediaan van 0,74 tegen −0,03 in de simulaties. Zo ziet
een steekproef eruit die op succes is geselecteerd, en dat hoeft geen vaardigheid te
zijn.
Voor de persistentie schatten we elk jaar van 1999 tot en met 2025 de
Carhart-alpha van elk actief fonds over de voorgaande 36 maanden. Daarna delen we de
fondsen in drie groepen. Het abnormale rendement in het jaar erna meten we met de bèta’s
uit de vormingsperiode, zodat er in de evaluatie niets wordt geschat.
Het beste derde van de fondsen haalt het jaar daarna gemiddeld 0,13% alpha en het
slechtste derde −0,37%. Het verschil van 0,51 procentpunt heeft over 27 jaar
een standaardfout van 0,59 (t=0,86), zodat er geen persistentie te zien is.
Dat bewijst niet dat ze ontbreekt, want bij deze spreiding zou een verschil van een
half procent per jaar pas na ongeveer 145 jaar een t-waarde van 2 halen.
grootheid
origineel
hier
gemiddelde nettoalpha actieve fondsen
−1,1% per jaar (Jensen)
+0,53%, t=1,36
alpha totale-marktindexfonds
klein en negatief (verwachting)
−0,19%
mediaan t(α^) tegen bootstrap
weinig fondsen dekken hun kosten (Fama en French)
0,74 tegen −0,03
persistentie, hoogste min laagste groep
alleen de slechtste fondsen (Carhart)
0,51 procentpunt, t=0,86
Gedeeltelijk geslaagd. Het indexfonds en de persistentie gedragen zich zoals verwacht. Het
niveau van de alpha en de verschuiving in de bootstrap wijken af van de originelen, maar
in de richting die de selectie op overleven meebrengt. Juist daardoor
kunnen deze data
de conclusie van Fama en French niet toetsen, want een steekproef van overlevenden
laat geen fondsen zien die hun kosten niet terugverdienden.
Wat het model verklaart. Sharpes rekenkunde en het model van Berk en Green
verklaren samen drie hardnekkige feiten over de beleggingsindustrie. De gemiddelde
actieve dollar blijft na kosten achter, winnaars blijven geen winnaars, en toch
stroomt geld achter winnaars aan. Ze verklaren ook de sociologie, want de oprichters
van DFA en AQR hoefden de rekenkunde niet te weerleggen om een bedrijf te
bouwen. De rekenkunde zegt immers niets over wie wint, maar alles over wat het kost.
Waar het breekt. Het breekt bij het meten van vaardigheid zelf. In onze
simulatie met 10% vaardige fondsen vond de beste schatter met twintig jaar data er
gemiddeld 6%. Onze echte steekproef levert een bootstrap die op vaardigheid lijkt, maar door
de selectie op overleven valt die uitkomst niet te interpreteren. Barras, Scaillet en
Wermers zagen het aandeel vaardige fondsen tussen 1996 en 2006 naar bijna nul dalen. Of de
vaardigheid verdween of de toets zijn onderscheidend vermogen verloor, laten de data niet
zien.
Risico of vergissing? In de Chicago-lezing is kapitaal net zo concurrerend als
informatie. Vaardigheid bestaat dan en wordt beloond in vergoedingen, en DFA en AQR
verkopen een vergoeding voor risico. In de Yale-lezing jagen beleggers rendementen na die
ze niet kunnen beoordelen. Dan zijn de premies achter
DFA en AQR vergissingen van anderen, en overleven dure fondsen omdat hun klanten de
rekenkunde niet kennen. Data over de redenen waarom beleggers hun geld verplaatsen,
zouden de lezingen kunnen scheiden, maar die data zijn omstreden. Santa-Clara’s
praktijkles past op
beide: wie een indexfonds koopt, draagt risico met een premie, en wie een actief
fonds koopt, denkt iets te weten wat de prijs niet weet.
Wat er daarna kwam. Elke alpha in dit college is gemeten tegen een
factormodel, en de keuze van dat model bepaalde het antwoord. Het volgende college,
Cochrane: p = E[mx], laat zien dat elk zulk model een uitspraak is over één
stochastische discontofactorm (SDF, de factor waarmee alle payoffs
worden verdisconteerd).
Pas Proposition 1 toe op de actieve beleggers samen. Hun
vermogensgewogen alpha is nul, dus 0,4×(−2%)+0,3aF=0 en
aF=0,8/0,3=2,67%. Na kosten haalt de fondsbelegger 2,67−1=1,67%
boven de markt, tegen −0,1% voor de indexbelegger, een voorsprong van 1,77
procentpunt. Worden de particulieren passief, dan bestaat A alleen uit
fondsen, en zegt de propositie dat hun gewogen bruto alpha nul is.
bruto alpha fondsen : 2.6667%
netto voorsprong op de index : 1.7667%
De rekenkunde verbiedt dus niet dat fondsen winnen, maar zegt wie er dan verliest.
Dat het in de data meestal de fondsbeleggers zijn, is een empirisch feit en geen
stelling.
(1) Uit C′(qa)=2bqa=ϕt volgt qa=ϕt/(2b). De bindende
voorwaarde van de belegger geeft fqt=ϕtqa−bqa2=ϕt2/(2b)−ϕt2/(4b)=ϕt2/(4b). De indexpositie qt−qa=ϕt(ϕt−2f)/(4bf)
is niet negatief als en slechts als ϕt≥2f.
(2) Met τ=1/0,012=10000 en ω=1/0,052=400 is
ϕ1=(10000×0,03+400×0,08)/10400=3,19%.
(3) Het verwachte rendement is nul, omdat de instroom de omvang precies zo zet
dat E1[r2]=0. Een rendement van vijf procentpunt boven de verwachting verhoogt
de geschatte vaardigheid met 0,19 procentpunt, en het fonds groeit van 4,5 naar 5,1
miljard dollar. Daarna is het fonds weer gewoon. Geld dat rendementen najaagt, kan dus rationeel zijn en toch
niets opleveren.
pi0 = 0.60, pi- = 0.02, pi+ = 0.18
BH-ontdekkingen (q = 10%): 0 van 50
SE pi+ bij 2000 fondsen (40 jaar): 0.007; geschaald naar 50 fondsen: 0.046
Op de overlevenden geeft de schatter π^0=0,60 en π^A+=0,18,
maar Benjamini-Hochberg vindt geen enkel vaardig fonds. De standaardfout van
π^A+ is bij 50 fondsen ongeveer 0,05, zes keer zo groot als bij 2000
fondsen, en de steekproef is bovendien op succes geselecteerd. Een geschat aandeel
vaardige fondsen betekent daarom alleen iets in een groot universum zonder
survivorship bias, en juist die data ontbreken hier.
Jensen, M. C. (1968). The Performance of Mutual Funds in the Period 1945–1964. The Journal of Finance, 23(2), 389–416. 10.1111/j.1540-6261.1968.tb00815.x
Sharpe, W. F. (1991). The Arithmetic of Active Management. Financial Analysts Journal, 47(1), 7–9. 10.2469/faj.v47.n1.7
Berk, J. B., & Green, R. C. (2004). Mutual Fund Flows and Performance in Rational Markets. Journal of Political Economy, 112(6), 1269–1295. 10.1086/424739
Fama, E. F., & French, K. R. (2010). Luck versus Skill in the Cross-Section of Mutual Fund Returns. Journal of Finance, 65(5), 1915–1947. 10.1111/j.1540-6261.2010.01598.x
Barras, L., Scaillet, O., & Wermers, R. (2010). False Discoveries in Mutual Fund Performance: Measuring Luck in Estimated Alphas. The Journal of Finance, 65(1), 179–216. 10.1111/j.1540-6261.2009.01527.x
Barber, B. M., & Odean, T. (2000). Trading Is Hazardous to Your Wealth: The Common Stock Investment Performance of Individual Investors. The Journal of Finance, 55(2), 773–806. 10.1111/0022-1082.00226
French, K. R. (2008). Presidential Address: The Cost of Active Investing. The Journal of Finance, 63(4), 1537–1573. 10.1111/j.1540-6261.2008.01368.x
Carhart, M. M. (1997). On Persistence in Mutual Fund Performance. The Journal of Finance, 52(1), 57–82. 10.1111/j.1540-6261.1997.tb03808.x
Jegadeesh, N., & Titman, S. (1993). Returns to Buying Winners and Selling Losers: Implications for Stock Market Efficiency. The Journal of Finance, 48(1), 65–91. 10.1111/j.1540-6261.1993.tb04702.x
Berk, J. B., & van Binsbergen, J. H. (2015). Measuring Skill in the Mutual Fund Industry. Journal of Financial Economics, 118(1), 1–20. 10.1016/j.jfineco.2015.05.002
Berk, J. B., & van Binsbergen, J. H. (2012). Measuring Managerial Skill in the Mutual Fund Industry (NBER Working Paper No. 18184). National Bureau of Economic Research. https://www.nber.org/papers/w18184
Fama, E. F., & French, K. R. (1993). Common Risk Factors in the Returns on Stocks and Bonds. Journal of Financial Economics, 33(1), 3–56. 10.1016/0304-405X(93)90023-5
Benjamini, Y., & Hochberg, Y. (1995). Controlling the False Discovery Rate: A Practical and Powerful Approach to Multiple Testing. Journal of the Royal Statistical Society: Series B (Methodological), 57(1), 289–300. 10.1111/j.2517-6161.1995.tb02031.x
Show all 16 references
Deze onafhankelijke site is niet verbonden aan of onderschreven door QuantEcon.
De vormgeving is gebaseerd op het MIT-gelicentieerde
QuantEcon MyST-thema.
Zie THIRD_PARTY_NOTICES.md voor de licentie-informatie.